Ik heb onlangs iets meegemaakt wat ik voor mezelf vrij confronterend vond. Ik voelde agressie naar een hulpverlener. Ik vind het gênant en zelfs spannend om over te schrijven. Toch moet het me van het hart.

Regelmatig hoor ik op het nieuws dat er weer hulpverleners de klos zijn door uitbarstingen van agressie. Ik vraag me al lange tijd af wat mensen bezielt om agressief tegen hulpverleners te doen. Welke reden hebben ze daarvoor, terwijl er hulp wordt verleend? Tot ik iets meemaakte waardoor ik zelf bijna agressief werd jegens een hulpverlener. Ik had dat nooit van mijzelf verwacht. Gelukkig wist ik me te beheersen, maar het scheelde niet veel. Het speelde zich als volgt af:

Ik loop rustig over de markt en bekijk op mijn gemak alle kraampjes. De sfeer is rustig en gezellig. Bij een boekenkraam zie ik een prachtig tweedehandsboek, sla het open en verdwaal erin. Geheel verdiept in het boek ontgaat het mij volledig wat er om mij heen gebeurt. Ik koop het mooie boek en wil mijn weg vervolgen. Ik slenter naar het midden van de straat en bots tegen een man op. Deze man vaart direct kwaad tegen mij uit: ’Ja ga toch eens aan de kant, schiet eens even op zeg, wat doe je hier nog?’ Geheel verbouwereerd wil ik hem vragen waarom hij zo tegen me uitvaart. Maar daar krijg ik de kans niet voor. Hij duwt me aan de kant met de woorden: ‘Heb eens een beetje respect man’. Ik merk dat mijn adrenaline gaat lopen en krijg de neiging heel hard terug te duwen. Ik bijt op mijn tong, want ik wil iets verschrikkelijk lelijks tegen de man in kwestie zeggen. Ineens zie ik een ambulance tussen het publiek door mijn kant uit rijden en begint er net op tijd een lampje bij me te branden. De man probeert waarschijnlijk ruim baan te maken voor de ambulance en ik sta kennelijk in de weg. Het valt me dan pas op dat hij een hesje aan heeft. Bijna ben ik de fout in gegaan jegens deze goedwillende man.

Toch begrijp ik niet wat de reden is dat hij direct zo kwaad moest reageren tegen mij. Had hij dit niet vriendelijker en rustiger kunnen doen? Hoe kon het dat hij zich niet bewust was van het feit dat zijn houding niet direct door mij begrepen werd?

Ik ben in ieder geval niet onmiddellijk afgestemd op een noodsituatie als ik lekker loop te snuffelen. Begint iemand dan zomaar vanuit het niets tegen mij uit te varen dan is er een grote kans dat mijn adrenaline begint te lopen. Gelukkig heb ik geleerd om niet onmiddellijk te reageren in zo’n situatie, maar dat geldt niet voor iedereen.

Door deze gebeurtenis is het nu wel zo, dat als ik weer eens lees of hoor over geweld tegen hulpverleners, ik me afvraag wat er  precies is voorgevallen waardoor zo’n situatie is ontstaan. Ik geloof dat de meeste mensen hulpverleners zeer ter wille willen zijn. Het is belangrijk dat  hulpverleners zich dit realiseren en dat ze juist op deze behulpzaamheid een appèl kunnen doen. Dat werkt beter dan de wijze waarop de hulpverlener uit mijn verhaal reageerde. Bijna waren we tegenstanders geworden en was ik een agressor jegens een hulpverlener geworden. Ik heb een diep respect voor het werk wat deze mensen doen en wil ze graag ter wille zijn. Ik hoop dat ze zich realiseren dat ze met professionele vriendelijkheid -wat als smeerolie kan werken in het contact met het publiek- meer kans hebben op welwillendheid.

Ik pleit er voor, om voorvallen waar geweld is opgetreden, goed te analyseren, zodat er een helder beeld ontstaat waar aanleiding voor geweld of agressie is ontstaan. In emotionele en paniekerige situaties kan de vlam zo in de pan slaan vooral als er alcohol in het spel is. Overigens, voor iedere dronkaard die vanuit een kort lontje zomaar een zorgverlener molesteert, heb ik weinig begrip. Hulpverleners die bij voorbaat het publiek als tegenstander zien lopen daarbij meer risico op agressie dan hulpverleners die er van uit gaan dat het publiek een medestander is.

Belangrijk is het ook om ons te realiseren dat politieagenten ook gerekend worden tot de hulp en zorgverleners. Ik ben erg blij dat we die kant op gaan, maar dat verenigt zich niet echt met het beeld dat agenten harder dienen op te treden en dat er per definitie respect dient te zijn voor agenten.

Respect ontstaat door een respectvolle omgang met elkaar in welke situatie ook, waarbij we wederzijds voelen dat we medestanders zijn.

Advertenties

Het is de middag van oudjaarsdag, ik rijd  rustig over een landweggetje naar het carbidschieten, wat even verderop in het weiland is toegestaan. Het begint al wat te schemeren. Opeens zie ik  een vuurtje branden op de weg. Dichterbij gekomen staat er een auto naast het  vuurtje met een man erin die zoals het lijkt druk aan het praten is tegen de vuurstokers. Zodra wij aan komen rijdt hij iets verder en zet zijn auto neer. Ik ben dol op vuur dus ik stop pal naast het vuurtje. Een drietal opgeschoten jongens staat erbij. Ze ogen erg gewoontjes en misschien zelfs wel wat braaf. Ik draai m’n raam naar beneden en zeg lachend: ’Dat is een mooi vuurtje jongens, ziet er goed uit. Lekker warm ook’. Ik laat een moment van stilte vallen en zeg vervolgens, nog steeds lachend, ‘misschien wel wat een onhandige plek zo’n fikkie half op de weg. Sommige mensen vinden het vast eng om langs dit vuurtje te rijden en daar komt bij dat het asfalt er ook niet zo goed tegen kan. Wisten jullie dat? Er is vast een betere en veiligere plek om een oudjaar vuur te stoken. Wat vinden jullie?’

Een van de jongens kijkt me stomverbaasd aan en zegt  ‘Bent u niet boos? Moet u eens met die man in die auto hiervoor praten, die is hartstikke boos op ons. We willen het heus wel uitmaken hoor. Het brandt niet lang meer en gaat zo vanzelf uit’.

Ik trek mijn wenkbrauwen even op en lach hem toe. ’Hoezo moet ik dan boos zijn?’ Intussen was de man, een lokale hoogwaardigheidsbekleder, uit de auto voor ons uitgestapt en begon de jongens weer op boze toon aan te spreken. ‘Waar zijn jullie mee bezig, dit lijkt nergens naar. Weet je wel hoe duur asfalt is? Dat gaat helemaal kapot.’ De grootste jongen kijkt met een beteuterd gezicht naar de man. De beide andere jongens trekken zich nergens iets van aan en steken  nog even een rotje af. Gelukkig voor de boze mijnheer halen de jongens verder hun schouders op en doven het vuurtje. Mij kijken ze even aan met een blik van verstandhouding en naar de boze mijnheer gaat een blik van minachting.

Ik schud even met mijn hoofd en bedenk me dat deze man geluk heeft dat het niet een groepje jongeren betreft die minder tolerant en braaf zijn of die al wat drank op hadden. Zijn boosheid en ondertoon van agressie had gemakkelijk agressie kunnen oproepen.

Door de jongens op een andere manier te benaderen, met een glimlach en begrip voor hun behoefte om een vuurtje te stoken kreeg ik de blik van verstandhouding. Tja en dat een weg wat minder geschikt is om een vuurtje te stoken, bedenkt een stel opgeschoten knapen zich echt niet , vooral niet op oudjaarsdag.

Ik realiseer me dat er regelmatig gevallen van agressie zullen zijn die onbedoeld opgeroepen worden door goedbedoelende mensen, die menen hun burgerplicht te moeten doen. Helaas weten ze niet altijd de juiste toon aan te slaan en werkt hun ingrijpen contraproductief. Ze beroepen zich op hun volwassenheid, autoriteit of macht. Helaas voor hun werkt dat niet meer vanzelfsprekend in onze samenleving.

Gelukkig maar, want dat betekent dat we aardig op weg zijn naar gelijkwaardigheid in onze samenleving. Het is wel zo dat gelijkwaardigheid een volstrekt andere manier van benaderen vraagt. In plaats van boos te worden of macht uit te oefenen zal je een beroep moeten doen op het inlevingsvermogen en de verantwoordelijkheid van de ander. In de meeste gevallen zal de aangesprokene dan ervaren dat je een medestander bent die je attendeert op iets wat in beider belang is. Boosheid en machtsuitoefening roept tegenstand en weerstand op, omdat je je tegenover de ander plaatst en niet naast de ander gaat staan.

Het vraagt een forse omslag in denken en doen om dit te realiseren. Een mooie en uitdagende opgave voor het nieuwe jaar.

Ik ben kwaad en wellicht nog wat meer verontrust.

Hoe halen mensen het in hun hoofd om sommige jongeren vol te stoppen met ritalin of aanverwante producten die wellicht gelukkiger en effectiever zijn zonder deze medicatie.

Ik ken een meisje. Een eigenzinnige puber die volstrekt haar eigen pad wil volgen. Prachtig om te zien. Er is echter iets eigenaardigs met haar. Soms is ze er helemaal bij, maar vaker is ze van de wereld. In het begin begreep ik daar niks van. Hoe kon ze nu zo afwezig zijn?

Ik vroeg haar erna. Ze haalde haar schouders op en vertelde me dat ze het niet wist. Ik vroeg haar wat ze dan precies niet wist. Ze begreep niet wat ik bedoelde. Ik legde haar uit dat ze soms zo heerlijk pittig en eigenzinnig was en dan weer zo verward en volstrekt van de wereld. “Gebruik je drugs of medicijnen?”, vroeg ik haar. “Nee geen drugs, maar ik krijg wel een soort Ritalin want ik heb ADHD. Ik word daar rustig van.” “Wat gebeurt er dan als je hiermee zou stoppen?”, vroeg ik. “Dan word ik vet druk”, was het antwoord. Ze vertelde me dat ze al vanaf haar 7e jaar deze medicijnen slikt. Ik kon het bijna niet geloven. Mijn ongeloof trok haar aandacht, waarop ze zei dat het voor haar heel normaal was.

Ze vertelt regelmatig van haar problemen op school. Ze kan zich slecht concentreren en vergeet vaak haar afspraken. Ze mist heel veel scherpte en er ontgaat haar van alles. Ze krijgt dan ook regelmatig straf en als ik daarnaar vraag heeft het altijd te maken met dat ze zaken vergeet en ze onnozele vergissingen maakt. Ik bespeur geen moedwil van haar kant.

Ik zie haar stoeien met een leeftijdgenoot, maar ze laat tegelijktijdig met zich sollen. Dat is niks voor haar. Ik wil haar een beetje opzwepen maar ze komt niet los. Ik roep haar toe dat ik haar pit en vuur wil zien en dat ze best haar krengerigheid mag inzetten. Dan kijkt ze me aan en zegt:” Ja wat wil je, ik doe mijn best om een braaf meisje te zijn en vervolgens moet ik van jou een kreng zijn. Terwijl ze op school en thuis willen dat ik beter mijn best doe en naar ze luister.” “Wat wil jezelf?”, vroeg ik haar. Ze haalde haar schouders op. “Je moet de dingen doen die jij wil doen. Het is jouw leven. Je leert niet voor je ouders of docenten. Dat doe je voor jezelf,” zei ik.” Jij bepaalt wat je wilt en dat zorgt ervoor hoe dingen gaan lopen.. Je wil iets en dan ga je ervoor”. “Ja , dat is zo, ik wil heus wel maar ik word gek van iedereen die wat van me moet en ik vergeet ook heel veel, maar dat doe ik niet met opzet”.

Mijn hart breekt. Ik weet zeker dat dit meisje wel wil, maar hulp moet krijgen hoe ze helder kan blijven en haar focus kan richten. Het knaagt aan me, aangezien ik denk dat die ADHD-onderdrukker een grote rol speelt bij haar problemen. Ik heb haar al eens gevraagd of ze de afgelopen jaren nog eens bij de dokter was geweest , om te kijken of hoe het met haar en haar medicijnen ging. Daarop had ze ontkennend geantwoord. Ik vraag me af welke rol haar hormonen spelen nu ze in de puberteit is en hoe dit in interactie is met haar medicijnen. Ik weet het niet, want ik ben geen medicus. Ergens weet ik dat het niet klopt om een jongere alsmaar medicijnen te laten gebruiken, zonder na te gaan of het nog nodig is. Zo’n remmer dempt naast de drang om druk te zijn volgens mij tevens de levenslust. Ze schijnt lastig te zijn, alleen waarom merk ik daar niks van. Ik zie dat ze moeite heeft om dingen op te nemen en zaken vast te houden, maar dat heeft te maken met haar loomheid en dromerigheid. Ik hoor vaker mensen klagen over jongeren en pubers, wat ik oprecht niet begrijp. Zijn we vergeten hoe we zelf vroeger waren en nog steeds af en toe zijn? Ik heb vast ook ADHD, ik ben altijd druk en onrustig. Al ben ik blij dat ik dat mag voelen want hierdoor weet ik dat ik leef en besta. Ongetwijfeld zullen mensen zich soms storen aan mij, maar dat kan ook omgekeerd zijn. Ik gun vele kids dat ze bevrijd mogen worden van de chemische onderdrukkers, opdat ze wakker, onrustig en bewegelijk kunnen zijn. Als we ze hun ruimte en beweging gunnen, zullen ze wellicht door minder stil te zitten ook minder snel last krijgen van obesitas.

Ja ik ben kwaad en misschien is dit onterecht. Er zullen vast ook kinderen en mensen gebaat zijn bij dergelijke medicatie. Alleen het gemak waarmee kinderen, zonder dat ze controle hierop krijgen of tussenevaluaties hebben, dit soort pillen krijgen beangstigt me vreselijk. Tevens krijg ik een verontrustend gevoel over het feit dat de leraren en begeleiders van deze kinderen verbanden zoals hierboven geschetst niet door hebben. Er wordt dan moeite gedaan om een kind in het gareel te krijgen, maar het ontbreekt aan een precieze diagnose. Een kind hoeft niet in het gareel. Wij hoeven ze alleen maar te begeleiden en soms te begrenzen bij het zoeken naar, en bewandelen van, hun eigen weg.

Femmie heeft er de laatste tijd last van dat opmerkingen en gebeurtenissen haar nogal raken. Ze begrijpt niet hoe dit kan. Het is net of ze vroeger wat beter kon relativeren dan nu. Alles komt zo heftig binnen. Ze is nu alweer een aantal jaren hard met zich zelf in de weer om te ontdekken wie ze is en wat ze wil. Op haar geheel eigen wijze heeft ze flink aan haar eigen ontwikkeling gewerkt. Ze heeft het gevoel veel opener te zijn,  haar mening spreekt ze beter uit en ze komt tegenwoordig beter op voor zichzelf. Wat ze alleen nogal lastig vind, is dat doordat ze de dingen beter doorziet, ze zich ook alles wat meer aantrekt. Neem nu bijvoorbeeld haar zuster. Vroeger adoreerde Femmie haar. Haar zus was er altijd en nam een deel van de opvoeding en verzorging van haar moeder over. Haar oudste zus regelde heel veel zaken binnen het gezin. Vaak wist ze te bemiddelen en zorgde dat ieder gezinslid zich prettig voelde.  Maar de laatste tijd doorziet Femmie dat een deel van het gedrag van haar zus bestaat uit manipulatie. Femmie vindt het belangrijk dat haar moeder met de kerst niet alleen is en besluit dit met de broers en zus te overleggen. Zoals altijd neemt haar oudste zus het regelen al vrij snel over. Uiteindelijk heeft ze het zo geregeld dat Femmie en haar broer voor moeder zorgen en zij zelf met de kerstdagen geen familie afspraken heeft. Femmie besluit er wat van te zeggen, maar zus lief draait het direct om door te zeggen: ‘Hoezo klaag je nu? Het lijkt wel alsof je de kerst niet samen met moeder door wil doorbrengen. Je moet toch blij zijn dat jij de eerste kerstdag met moeder  door kan brengen.’ Door deze opmerking raakt Femmie volledig van slag. Ze vindt het gemeen van haar zus. Ze komt er steeds meer achter komt hoe haar zus dit doet en ze probeert zich er wel voor af te sluiten maar dat lukt niet echt. Vooral omdat ze de laatste tijd overal om zich heen mensen meemaakt die op dezelfde manier konkelen en bezig zijn met hun eigen belang. Femmie wordt er misselijk van.

Op een dag zit ze te kletsen met een spontane, verfrissende jongeman die net in haar team is komen werken. Zijn naam is Alex. Hij is open en ongedwongen. Ineens steekt ze haar hele verhaal af. Hij luistert en na haar relaas zegt hij:’ Volgens mij is je zuster niet veranderd en al die andere mensen ook niet. Ik geloof dat jouw ogen geopend zijn en de dingen die gebeuren nu beter kan zien.’  ‘Hoe bedoel je?’ vraagt ze. ‘ Je ziet nu heel scherp wat er gebeurt en hoe je zus handelt. Vroeger keek je met andere ogen naar je zus. Je zag alleen de positieve dingen. Dus zag je alleen datgene wat je wou zien. De rest kon je niet zien. Het probleem is dat je nu met een hele scherpe blik te veel focust op het negatieve. Je kijkt met een haviksblik en dat is waar je tegen aan loopt op dit moment.’ Femmie trekt haar wenkbrauwen omhoog en vraagt opnieuw:’ Hoe bedoel je dat?’ Alex legt uit dat ze een valkuil heeft gecreëerd door in plaats van de roze bril op te zetten, nu de haviksbril heeft opgezet. Hij vergelijkt het met een sterk vergrootglas waarmee je naar een gezicht kunt kijken. Het gezicht van zelfs de knapste persoon wordt dan een soort van maanlandschap. Hij stelt Femmie voor om zich af te vragen wat er gebeurt als ze wat meer gaat uitzoomen. Dus in plaats van de haviksblik met de ogen van een paard te gaan kijken. Paarden kijken niet gedetailleerd maar zien de hele omgeving. Ze kijken als het ware met zachte ogen.

Tijdens dit relaas vullen Femmie haar ogen zich met tranen. ‘ Ik denk dat ik het begrijp’, snottert ze ‘ik zie net als vroeger maar een klein deel van het hele spectrum. Ik mag ook de positieve kant van mijn zus niet vergeten. Alles hoort er bij, het mooie en minder mooie. Ik probeerde steeds maar mijn negatieve gedachten los te laten maar dat lukte me maar niet. Dat kon ook niet zolang ik door het vergrootglas bleef kijken.’ ‘Precies’, beaamt Alex ’je hoeft ook niks los te laten. Als je alles van een ander kunt zien vul je het gehele spectrum van diegene en ontstaat er evenwicht en dus neutraliteit. Je ziet een compleet mens met alle mooie en slechte kanten.’Femmie begint te stralen en realiseert zich dat ze nu ineens Alex ook heel anders ziet. Hij is meer dan alleen een jong en nieuw teamlid. Ze is stomverbaasd over zijn inzicht en levenswijsheid. Wie had dat kunnen denken? Ineens schaamt ze zich, want ze heeft best een aantal mensen om zich heen tekort gedaan met haar haviksblik. Ze besluit voortaan, naast haar scherpte, ook met zachte ogen te kijken om het hele spectrum van ieder mens goed te kunnen waarnemen.


Wat zijn wij mensen toch wonderbaarlijke wezens. Sta ik bij de kassa, komt daar een oude man aan lopen. De vrouw voor mij heeft haar karretje behoorlijk vol. Ik heb er slechts een paar boodschapjes in liggen. De oude man heeft ongeveer net,b zoveel boodschappen in zijn kar liggen als ik. Hij komt aan, rijdt mij voorbij en duwt zo zijn karretje voor die mevrouw, die net haar spulletjes op de band wil leggen. ‘U heeft zo’n grote kar vol’, zegt de man. ‘ Ik kan vast wel even voor, nietwaar?’ En hij begint zijn kar uit te laden. De vrouw voor me zegt niets en ik schiet in de lach om de brutaliteit van deze oude man. Ergens in de 70, vermoed ik. ‘Vindt u dit wel oké?’, vraag ik haar. De vrouw krijgt een kleur en doet haar vinger tegen haar mond en doet: sssst. Ik trek mijn wenkbrauwen op en kijk haar zeer verwonderd aan. ‘Straks wordt hij boos’, zegt ze, ‘en daar kan ik niet tegen.’ Ik knik haar begripvol toe. Maar intern schud ik mijn hoofd.

Welke overwegingen gaan door deze vrouw heen?

Biologisch gezien zijn we ultieme vluchtwezens en is er overal gevaar voor ons. Kennelijk heeft deze mevrouw de situatie als gevaarlijk beschouwd en daarom besloten er niets van te zeggen. Ik maak dat op uit het verschieten van kleur en het toch wat geheimzinnig doen. Ook heeft de beeldvorming van de afgelopen jaren ons vertelt dat het niet altijd verstandig is onze mond open te doen omdat dit geweld o.i.d. op kan roepen. Dit zou een summiere verklaring kunnen zijn.

Een paar weken later kom ik samen met een intervisieclubje. We kennen elkaar best erg goed. Toch is er iemand bij die nogal stil is. Ik vraag wat er is, maar krijg geen antwoord. Als ik de vraag nog eens stel, maakt ze dezelfde bewegingen als de mevrouw uit de winkel: ze verschiet van kleur en legt haar vinger op de mond. Ik kijk om me heen om te zien welk gevaar er eventueel dreigt, maar ik zie niks. In de pauze schiet ik haar aan. Ze vertelt me dat ze zich niet zo veilig voelt. ‘Maar je kent ons toch al twee jaar?’ roep ik uit. ‘Ja, maar iemand heeft iets gezegd wat ik niet leuk vind en dat zit me dwars’, zegt ze. ‘Dan zeg je dat toch, daarvoor zitten we toch bij elkaar!’, repliceer ik. Dan wordt het heel stil.

Wat beweegt deze vrouw?

Er is feitelijk geen gevaar en toch word er wel gevaar of onveiligheid  door haar ervaren. Rationeel gezien eigenlijk heel bizar. De kans dat er een scheld- of vechtpartij ontstaat, is zeer gering. Zelfs biologisch is er geen gevaar te bekennen. De enige onveiligheid zit hem in de manier waarop ze waarschijnlijk haar aannames heeft geadopteerd en vandaaruit leeft. En dat is eigenlijk het toppunt van onveiligheid: zelf gecreëerd en al.  Want hiermee leg je dus je werkelijkheid in handen van de ander. Anderen krijgen hiermee wel heel veel macht toebedeeld. Puur omdat zij iets niet durft, wellicht gebaseerd op oude beelden en aannames. Of ze moet nog steeds mishandeld worden, maar ik weet zeker dat dit niet het geval is.

Onze gedachten en aannames jagen ons angstsysteem aan en verlammen ons. Ze maken de ‘werkelijkheid’ eng en onveilig. In deze situatie is logisch en helder nadenken best een goede optie om dit te doorbreken. Er ontstaat hiermee namelijk voor anderen uit de groep misschien ook weer onveiligheid. Omdat er iets speelt en niet geadresseerd wordt.

Ik vind het vaak bizar hoe moeilijk mensen het vinden iets terug te geven. Wellicht speelt dan mee dat ze het vanuit een soort verwijtmodus doen en dat direct terug gespeeld krijgen. Dan krijgen ze terug wat ze uitdelen. Neutraal iets terug geven is over het algemeen een zeer veilige optie. Een open, toegankelijke relatie helpt daarbij.

Ik ben verantwoordelijk voor mijn eigen veiligheid. Voor mij speelt het fysieke aspect een grotere rol dan mentale veiligheid. Natuurlijk is het niet leuk als een ander me wil kwetsen of een hak wil zetten. Maar uiteindelijk zegt dat veel meer over die ander, dan over mij. Ik heb flink wat mentale klappen opgelopen en heb mijn incasseringsvermogen getraind. Maar ten diepste weet en besef ik dat alles wat men over mij vindt bij die ander toch al leeft. Het is er al. De enige die zich er dan niet mee zou durven te verhouden, ben ik. En dat is dus ultieme onveiligheid. Dus ja, kom maar op: Alles wat men van mij vindt en denkt is er toch al en daarom wil ik het weten ook! Want dan kan ik leren en me er mee verhouden( = houden van). Mij geeft dat veiligheid en zelfvertrouwen. Mensen vinden altijd wel wat en dat is oké. Want het is mijn acceptatie van mezelf die me daarin rust en liefde biedt.

Stijn mocht eindelijk een afdeling aansturen. Hij was er blij om. Stijn was een zachte man die het goede met iedereen voor had.  Hij was niet al te groot en had een blozend gezicht met een bijna witte bos haar. Als je hem zo zag ging je hem direct al aardig vinden.  Hij was ambitieus en vond het een eer dat hij nu manager was. Inhoudelijk had hij echt verstand van zaken  en  sociaal gezien was hij een alleman vriend.  Hierdoor vond hij het lastig zijn mensen aan te spreken als er dingen mis gingen.  Zijn collega managers en zijn directeur waren aanvankelijk erg blij met zijn expertise, maar kregen na verloop van tijd door dat er ook wel vaak dingen mis  gingen in zijn team. Omdat het zo’n aardige kerel was en hij zo zijn best deed vonden zijn collega-managers en directeur het ook  moeilijk om Stijn aan te spreken.

Na een jaar ging de communicatie binnen  zijn team steeds stroever. Collega managers liepen ook tegen het functioneren van Stijn aan omdat zijn team slecht presteerde richting de andere teams.  Een belangrijke oorzaak was dat het team niet aangesproken werd door Stijn. Uiteindelijk was het Stijn zelf die aangaf bij zijn directeur dat het niet lekker liep. De directeur was blij, want hij liep er al een tijd mee rond hoe het slechte functioneren van Stijn moest aan kaarten. In hun gesprek kwamen ze tot de conclusie dat Stijn een coach nodig had. Zo gezegd zo gedaan.

Hij was erg blij met zijn coach en zijn coach met hem. Hij kon heel wat vraagstukken met haar doornemen. Hij besprak zijn problemen en ze keken naar zijn leerpunten. Langzaam maar zeker kreeg Stijn inzicht in zijn leerpunten. Hij had het idee dat er echt dingen in zijn gedrag veranderde.  Beiden waren dol enthousiast over de geboekte vooruitgang. Ieder keer deed Stijn nieuwe ontdekkingen en kreeg hij meer inzicht in zijn handelen.

Na 10 gesprekken stopte het coachen. Stijn ging voor zijn gevoel veel rijker dan daarvoor aan de slag met zijn nieuwe inzichten.  De coach had met Stijn afgesproken  dat hij altijd weer om hulp kon vragen mocht hij terugvallen.  Het duurde niet lang of dat gebeurde. In zijn team was het redelijk uit de hand gelopen omdat twee medewerkers elkaar tegen werkten. Hierdoor waren er twee kampen in het team ontstaan. Uiteindelijk escaleerde dit. Stijn wist niet hoe hij dit recht moest breien en ondanks alle nieuwe inzichten wist hij niet hoe hij dit aan moest pakken.  De escalatie werkte ook door richting de andere teams in de organisatie zodat uiteindelijk zijn collega managers er ook last van kregen.

Hij kwam weer bij de directeur terecht. Deze gaf aan dat zijn collega’s ook steen en been over hem klaagden. De directeur vond dat er maar snel wat moest veranderen. Uiteindelijk wist de directeur ook niet wat hij aan moest met de ontstane situatie en die vroeg zich af wat nu de toegevoegde waarde van die coach was geweest. Hij ging Stijn beschuldigen van incompetentie en brandde de coach meteen ook maar af.

Heel toevallig had ik een afspraak met de HR manager die met Stijn in het MT van dat bedrijf zat. De directeur schoof ook aan. Als organisatie haalden ze niet voldoende orders binnen omdat het in de onderhandelingen nogal eens mis ging. Hier wilden ze een training voor. Tijdens het gesprek bemerkte ik een grote weerzin bij de directeur. Hij was erg stekelig richting trainers en coaches. Ik benoemde dat en vroeg hoe dat kwam. Toen kwam het hele verhaal van Stijn en zijn coach eruit. Volgens de directeur was die coach waardeloos en Stijn kwam er ook niet heel genadig af. De HR manager probeerde het wel wat te verzachten maar het was voelbaar dat hij dezelfde mening was toegedaan. Met wat ik hoorde van de directeur en HR manager gaf ik aan dat de coach integer met de vraag van Stijn aan de slag was gegaan. Samen hadden ze gewerkt aan de punten die Stijn had ingebracht. Wat de coach niet had gedaan was dat zij de vraagstelling van Stijn in relatie had gebracht met zijn werkomgeving.  Ik vroeg naar de reden waarom dat niet gebeurd was en hoe de leeropgave richting Stijn en coach geformuleerd was door de directeur of de HR adviseur. “Moest dat dan?” bitste de directeur. “Tja,” gaf ik ten antwoord, “als jij de context van het vraagstuk over de schutting richting Stijn en de coach gooit en dan denkt dat het wel goed komt, dan komt dat op mij wel wat naïef over. Zoals ik het nu hoor van jullie hebben Stijn en zijn coach de illusie gehad dat ze hele goede dingen hebben gedaan.  Er is gewerkt aan leerpunten, maar die zijn niet direct gekoppeld aan de omgeving waarin Stijn werkt. Stijn heeft met zijn coach hard gewerkt aan verschillende inzichten over zichzelf. Hier ontstond de illusie dat er werkelijk iets veranderd was bij hem. In zijn hoofd is dat waarschijnlijk ook gebeurd. Wat achterbleef was het toepassen van die inzichten in het dagelijkse handelen en in relatie met zijn werkomgeving. Deze situatie had zijn coach kunnen scheppen.”  De directeur en HR manager keken me met grote ogen aan. Het leek of een deel van het venijn van de directeur geweken was. Dus besloot ik door te gaan met mijn verhaal.

“Een deel van het probleem ligt ook bij jullie. “ “Nou wordt ie mooi”,spatte de directeur op.               ”Hoe hebben jullie Stijn geconfronteerd met hoe het ging op zijn afdeling en in het MT?”vroeg ik. Het bleef ongewoon stil totdat de HR manager toegaf dat dit niet was gebeurt.  “ Het lijkt dus  alsof het probleem bij Stijn ligt maar het zit in jullie systeem, beginnende bij jou, de directeur en de collega managers, want hoe komt het dat jullie Stijn niet eerder geconfronteerd hebben?” Het bleef ijswekkend stil tot de directeur verzuchtte:”Tja daar heb je wel een punt.” Ik liet de stilte nog even duren en besloot er toen nog een schepje boven op te doen: “ Doordat de coachvraag niet helder is geformuleerd noch gekoppeld aan de context van jullie organisatie is de coach dus sluipende weg ook deel uit gaan maken van jullie systeem.

Dus als het grote geheel niet gezien wordt van waaruit een vraag zich manifesteert en de coach vervolgens het systeem en zijn spelers niet confronteerd met wat er echt nodig is, ontstaat daar de tragedie van het coachen: een illusie.

Dus ieder coachvraagstuk binnen een organisatie zal direct in het perspectief van dat systeem onderzocht moeten worden en aan de hand daarvan kan er een route uitgestippeld worden. Persoonlijke vraagstukken raken per definitie het systeem waarin gewerkt wordt, dus wat is er dan mooier om het ook binnen die context te houden en er veel breder dan nu vaak het geval is mee aan het werk te gaan. Het resultaat levert jullie als klant en mij als coach oneindig veel meer op. Dan ontstaat de vreugde van het coachen en trainen: bewustzijn en ontwikkeling.”

De directeur kijkt me aan en er breekt een lach bij hem door. “Volgens mij heb je ons net even goed de spiegel voorgehouden. We zullen recht zetten wat hier mis is gegaan en we nemen hetgeen je ons terug hebt gegeven mee voor een volgende keer. Ons landschap van coachen gaan we  anders invullen.”

Uiteindelijk heeft deze organisatie serieus werk gemaakt van  hoe er gecoacht wordt en vindt het coachen altijd plaats binnen de context van de uiteindelijke vraag. Die vraag heeft per definitie te maken met de opgave van de organisatie.

Ik voel me meestal zelfverzekerd en ben heel blij met mijn leven en mij zelf. Ik schiet daar regelmatig in door. Ik mag graag vertellen wat ik meemaak en hoeveel geluk ik altijd heb. Ik ervaar het leven meestal als een prettige aaneenschakeling van avonturen en uitdagingen. Ik verveel me nooit en heb wel eens het idee dat ik te weinig tijd heb om alles te doen wat ik wil. Soms denk ik weleens dat ik een ongelofelijke narcist ben omdat ik zo blij met mezelf ben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat ik het wel met mezelf moet doen in dit leven, dus is het wellicht ook wel handig me zo te voelen.

Ik hou ook van anderen. Mensen zijn me lief. Ik kan heel erg genieten van mensen en hun bewegingen. Fascinerend om te zien hoe ieder op zijn manier bezig is vorm te geven aan zijn of haar leven. Ik heb zelden een hekel aan anderen. Ik zie meestal de mooie kanten van mensen. Irriteert me iets dan geef ik daar, binnen in mij zelf, volledig aan toe en het grappige is dat die irritatie dan ook zo weer weg zakt. Gebeurd dat niet dan spreek ik het uit en lost de irritatie meestal ook weer op. Soms kost dat tijd en dat is ook de moeite waard. Want dat zijn dan ook degenen die me lief zijn. Ik heb er veel voor over om irritatie vrij t.o.v. anderen te zijn.

Wat me wel opvalt is dat ik op een of andere manier heel goed in staat ben de irritatie van anderen op te roepen.  Doordat ik me wel eens zelfingenomen gedraag lijkt het alsof ik de ander minder zie staan. Ik vergeet weleens om eerst de ander te vragen hoe het met hem of haar gaat. Vaak ben ik zo enthousiast over de dingen waar ik in geloof en mee bezig ben dat ik vergeet om werkelijk ook even in te tunen op die ander.  Als ik dan klaar ben met het delen van mijn enthousiasme gaat mijn aandacht wel automatisch naar die ander en is het wel eens te laat. De ander is dan gekwetst omdat ik de indruk gaf alleen met me zelf bezig te zijn en niet te willen luisteren.  Soms klopt dat en soms lijkt het zo.  Door eerst te delen met wat me bezig houdt maak ik mezelf vrij om daarna te luisteren naar de ander. Wat ik vergeet is dat ik ook eerst naar de ander kan luisteren en dan de verbinding leggen naar mezelf. Maar door mijn enthousiasme over mijn eigen verhalen lukt me dat vaak niet.  Ik realiseer me dat dat niet altijd prettig over komt. Gelukkig heb ik vaak mensen om me heen die me dan direct daarop aanspreken en me bewust maken van deze neiging van me. Ik kan dan prima terug schakelen.  Ook is er een groep mensen die even afwachten en me na mijn verhaal aangeven dat ze het jammer vinden dat ik niet ook naar hun verhaal vraag. Ik ben erg blij dat ze dat doen. Dat houdt me wakker en scherp om naar hun verhaal te luisteren en te vragen hoe het met ze gaat en waar ze mee bezig zijn. Dit gaat me steeds beter af en tegelijkertijd merk ik ook dat ik zeer regelmatig weer in mijn valkuil trap. Ik heb daar overigens wel vrede mee want het hoort ook bij me dat ik barst van het enthousiasme en dit wil delen. Waar ik wel moeite mee heb zijn de mensen die zich stiekem ergeren  en er niet mee komen of op een moment van “zwakte”.

Laatst was ik aangedaan omdat ik geconfronteerd werd met mijn eigen sterfelijkheid en die van anderen. Kort achter elkaar gebeurden er wat dingetjes waar ik niet echt gewoon mee ben: Ik kreeg een blok hout tegen mijn keel met als gevolg een ziekenhuisopname; Ik viel  een keer bijna flauw en toen werd mijn lieve vader ook nog opgenomen in het ziekenhuis. Ik was iets stiller dan normaal en wat meer naar binnen gericht. Thuis ben ik dat veel vaker, maar buiten de deur ben ik veelal druk en aanwezig.

Komt er een man die ik al wat langer ken naar me toe en complimenteerde me met het feit dat ik zoveel zachter en toegankelijker was. Volgens hem was ik erg veranderd en had  ik veel geleerd, ik  was veel aardiger als anders. Die opmerking raakte me. Alsof ik normaal gesproken niet deug of zo. Ik kon me op dat moment geen beroerder compliment voorstellen.  Ik hoorde het aan en werd verdrietig. Het voelde alsof ik geparasiteerd werd omdat ik me kwetsbaar voelde. Dat zou dus betekenen dat pas wanneer ik me  kwetsbaar voel, toegankelijker word.  Wat een bullshit. Ik voelde flink wat boosheid. Ik besloot er niet op te reageren. Het was een goede en belangrijke levensles voor mij. Ik weet nu nog beter wat het betekent voor anderen als ik doorschiet in mijn levensvuur. Ik vraag me dan wel af of ik me dan moet dimmen of juist verbinding moet zoeken? Ben ik onecht als ik vol vuur zit en mijn avonturen wil delen of druk  en dominant overkom?

Ik bruis weer van de energie. Ik ben blij en voel me ontvankelijk. Ik weet van mijn kwetsbaarheid. Die mag er zijn. Ik voel me toegankelijk en open. Kom maar op wereld, kom maar leven ik omarm je. Ik heet iedereen welkom die moeite met me heeft dit direct te uiten. Verwar mijn enthousiasme en uitreiken niet met ontoegankelijkheid. Door vol in mijn kracht te staan wil ik niet zeggen dat jij niet mag komen. Kom maar, ik omarm je en nodig iedereen uit het leven met mij te vieren en aan te gaan. En als ik naar je toekom beloof ik je dat ik me vooraf afstem om ook naar jou behoefte te kijken en zal ik met volle aandacht luisteren.

Ooit lang geleden maakte ik het volgende mee:

“He pa wat betekent dat spiri gedoe van tante Johanna eigenlijk” ? Ik kijk mijn zoon verwonderd aan. “Hoe bedoel je dat jongen”? vraag ik hem. “Ze heeft het toch steeds tegen jou dat jij meer spiri moet worden”. “Oh je bedoelt spiritueel.” Ja papa, dat bedoel ik. Als ze met je praat is het net of jij wat dommig bent papa. Jij begrijpt heel veel dingen niet lijkt wel. Tante zegt dat er heel veel dingen zijn die jij moet leren. Ik dacht dat kinderen veel moeten leren. Waarom moet jij ook nog veel leren papa? Ik dacht dat jij altijd alles weet.” “Nee lieverd je vader weet niet alles. En papa kan ook nog heel veel dingen leren. Vooral dingen die papa interessant vindt en dingen die papa helpen andere mensen goed te begrijpen. Ik begrijp tante Johanna niet altijd helemaal. Ze is heel lief en papa is dol op haar. Tante Johanna zegt dat ze mensen kan genezen met haar handen en ze vind dat papa dat ook moet leren.”Wil je dat niet papa?” “Nee dat wil ik niet. Papa kan andere dingen heel goed. Ik kan bijvoorbeeld heel goed trekker rijden en hout hakken. En ik ben goed in mijn werk en kan leuk met jullie spelen. Maar ik kan niet wat jouw tante kan. Ook kan papa minder goed dingen in elkaar zetten, dat kan je mama veel beter. Zo kan ik sommige dingen wel en andere dingen niet. Net zoals jij heel goed kunt rekenen en taal wat moeilijker vindt. Jij bent ook veel beter in memory (=spelletje) dan papa. We kunnen sommige dingen heel goed en andere dingen wat minder. Dat is niet erg want als ik iets niet goed kan kun jij me helpen. En verder kan ik goed papa zijn want dat is het aller-leukste.” De ogen van mijn zoon beginnen te stralen en hij zegt:”Dat is waar papa, jij bent de allerliefste papa ter wereld en jij hoeft niet spiri te zijn, want ik vind je gewoon leuk zoals je bent hoor papa.”

Ik realiseerde me pas heel veel later dat spiritualiteit niks te maken heeft met wat tante Johanna van me vroeg. Ik kom mensen tegen die zichzelf spiritueel noemen en dan bezig zijn met bijvoorbeeld reiki of tarot en zich dan gedragen t.o.v. mij of ik iets essentieels mis in het leven. Ook bezocht ik eens een congres over spiritualiteit. De sfeer die de mensen uitstraalden die zich dicht bij de “meester” bevonden deed me bijna klein voelen. Ze hadden iets verhevens, een soort onaanraakbaarheid, het leek of hun de ogen was geopend, zij zagen dingen die ik absoluut niet kon waarnemen.  Ik krijg dan het gevoel dat ik nog een lange weg te gaan heb en misschien is dat ook wel zo.

Gelukkig voor mij zijn er momenten van een absolute aanraking en ontroering. Waaronder het bovenstaande gesprekje met mijn zoon.  In dit kleine intieme gesprek met mijn zoon ontvouwde zich voor mij een glimp van werkelijke spiritualiteit. Het bracht me bij de essentie van vader zijn: betekenisvol en aanwezig zijn voor mijn zoon (en dochters).  En hij liet merken dat hij dat waardeerde. Dat is voor mij spiritualiteit, ontdaan van alle opsmuk en recht uit het hart.

“De resultaten vallen weer tegen. Hoe komt het toch dat mijn medewerkers hun verantwoordelijkheid niet pakken?” vraagt Bert, een directeur van een groot bedrijf, zich af tijdens het avondeten. “Ze gaan er niet voor, ik mis hun betrokkenheid en motivatie. Volgens mij moet ik ze veel harder aanpakken en meer afrekenen. Ze mogen blij zijn dat ze werk hebben. Maar nee hoor ze werken de boel ook nog eens tegen. Ik ben er inmiddels klaar mee”. Met stijgende verwondering volgt zijn gezin dit relaas. “Ik begrijp die medewerkers van jou wel hoor papa”, zegt zijn 17 jarige dochter Jolanda, “op je werk ben je gewoon af en toe een nare vent. Je zeurt maar over prestaties en deadlines en ook ben jij bang dat ze hun werk niet goed doen. Dan is het toch logisch dat ze voorzichtig gaan doen en afwachten tot jij zegt hoe het moet. Jouw probleem is dat je gewoon niet van die mensen houdt.”

“ Lieverd, wat is dat nu voor iets geks, natuurlijk hou ik niet van die mensen dat is toch logisch? Die mensen werken gewoon voor mij en worden betaald voor wat ze doen.” “Papa je bent echt een gekke lieverd die nu onzin uitkraamt en niks begrijpt van wat je ons altijd geleerd hebt. Jij zegt altijd dat je van je werk houdt. Dan houd je dus ook van de mensen die voor je werken. Zij horen bij je werk. Houden van elkaar is de sleutel voor zelfvertrouwen en succes roep je tegen ons.

Dat vind ik ook logisch want je zegt altijd dat je heel veel van ons houdt en ons vertrouwt. Hierdoor heb ik heel veel zelfvertrouwen gekregen en gaat het zo goed op school. Je zit me niet achter de broek aan en controleert me ook nooit. Jij hebt altijd gezegd dat ik mijn kansen moet pakken en moet gaan voor de dingen die ik leuk vind en graag wil. Je zegt dat het mijn eigen verantwoordelijkheid is om er iets van te maken. Als ik dan een goed cijfer heb of iets anders leuks heb meegemaakt vertel ik je dat en jij luistert dan en geeft me dan altijd een compliment en vertelt me hoe trots je op me bent. Dat vind ik leuk en vroeger hielp me dat als ik eens geen zin had. Nu hoef je dat niet meer te zeggen want ik weet wat ik wil en ik geniet ervan als ik weer iets moeilijks heb gedaan en het is me gelukt.

Soms heb ik geen zin of doe ik wat stoms, dan geef je me op de donder, maar dat vind ik niet erg want ik weet dat je van me houdt en het beste met me voor hebt. Natuurlijk doe ik dan wel boos terug maar ik weet dat je dat wel logisch vind. Dan praten we het uit, en jij zegt dan altijd dat we daar van leren en onszelf zo verbeteren.

Dus pap op je werk moet je op dezelfde manier handelen. Je mensen heel veel liefde, complimenten en vertrouwen geven. Dan voelen ze zich gewaardeerd door jou en als je ze dan op hun donder moet geven vinden ze dat niet erg. En als jij iets stoms doet moeten ze ook net als mij gewoon ruzie met je maken. Ik weet dat je dat niet erg vind. Bij een paar van mijn vriendinnen is dat echt wel anders. Die kunnen thuis niks zeggen. Hun zelfvertrouwen is ook veel minder en ze doen daardoor minder hun best, ze denken dat ze hun ouders daarmee hebben, maar ze hebben zichzelf ermee. Bij jou op het werk doen de mensen hetzelfde als die vriendinnen. Ze voelen niet dat je hun waardeert en van ze houdt, dus gaan ze je tegenwerken. Dus papa je moet de mensen die voor je werken net zo’n opvoeding geven als ons, dan heb je gegarandeerd meer succes dan nu, kijk maar naar je eigen kinderen”.

Bert kijkt ontroerd naar zijn dochter en realiseert zich dat ze hem zojuist het mooiste cadeau heeft geven dat er bestaat. Hij weet wat hem te doen staat.

Wim is een beginnende manager. Hij doet enorm zijn best en wil het zijn mensen graag naar de zin maken. Zijn mensen maken daar ongewild nogal eens misbruik van. Langzaam maar zeker verandert de sfeer in zijn team. Zijn directeur merkt dit op en nodigt hem uit voor een gesprek. Ze besprekende problematiek en de directeur stelt voor dat Wim zich laat coachen. Wim gaat op het voorstel in en na een aantal coachgesprekken begint hij meer inzicht in zijn gedrag te krijgen. Hij is erg tevreden over zijn coach omdat hij het idee heeft dat de gesprekken hem helpen. Na een gesprek of tien heeft Wim het idee dat hij voldoende bagage meegekregen heeft om zijn team goed aan te kunnen sturen.

Helaas loopt het anders. In zijn hoofd heeft hij zijn inzichten goed op een rijtje. Maar de praktijk is veel weerbarstiger. Op de een of andere manier lukt het hem niet zijn mensen eens flink aan te spreken op hun gedrag. Hij weet dat hij aardig gevonden wil worden, maar weet ook dat hij door zal moeten pakken. Toch laat hij het afweten en hierdoor gaat het volslagen mis. Er ontstaat steeds meer wrevel en gedoe in zijn team. Daarnaast klagen zijn collega managers bij de directeur, maar stappen niet  rechtstreeks op hem af. Ook de directeur ontwijkt hem en is zeer afstandelijk. Wim heeft het gevoel volledig alleen te staan.  Dat raakt hem erg en hij weet even niet meer hoe hij hier uit moet komen. Hij heeft het idee dat hij in een heel diep gat aan het vallen is.

Op vrijdag avond sleept zijn vrouw hem mee naar een  bijeenkomst van haar werk. Zij hebben daar net een fantastisch ontwikkeltraject afgerond. Vanavond is  de feestelijke afronding. Ieder team geeft een ludieke presentatie van wat zij hebben gedaan. Ondanks zijn ellende moet Wim toch wel vaak smakelijk lachen. Na afloop van de presentaties is er nog een feestelijke borrel. Bij toeval komt hij met zijn vrouw bij de twee snuiters te staan die het traject hebben begeleid. Beide mannen manifesteren zich nadrukkelijk en hanteren een scherpe en prikkelende humoristische manier van praten. Na een poosje valt hun oog op Wim en vrijwel  tegelijk zeggen ze:”He hallo meneer, u kennen  we nog niet”. Ze stellen zich voor als Matthe en Derk.  Matthe kijkt hem indringend aan en vraagt of hij wel genoten heeft. Wim knikt en antwoordt bevestigend. Nu bemoeit Derk zich er ook mee en zegt tegen  Wim  dat zijn gezichtsuitdrukking en houding iets anders vertellen. Dan gebeurt er iets bijzonders bij Wim, op een wonderbaarlijke manier raakt de belangstelling van deze twee mannen hem. Hij begint zomaar spontaan te vertellen over zijn werksituatie. Matthe en Derk luisteren naar zijn verhaal. Hij voelt zich zowaar opgelucht. Tot zijn stomme verbazing beginnen ze te lachen en zeggen ze dat zijn verhaal heel herkenbaar is en vaak voorkomt in organisaties.

Ze leggen Wim uit dat het niet specifiek zijn probleem is maar het probleem van de gehele organisatie. Zijn directeur en collega managers durven hem ook niet op zij gedrag aan te spreken en doen dus hetzelfde als wat ze Wim verwijten. Ze geven ook aan dat zijn directeur een duidelijke opdracht had moeten verstrekken aan zijn coach en hem, met daarbij een duidelijke opgave van wat bereikt had moet worden.  Nu is het een soort privétraject geworden. Volgens Derk en Matthe moet alles wat je in een organisatie doet aan elkaar verbonden zijn: De directeur, zijn collega managers en zijn eigen team hadden allemaal medeplichtig gemaakt moeten worden aan het leertraject van Wim. Dan waren de huidige problemen wellicht niet ontstaan.

Wim voelt zich merkwaardig opgelucht. “Maar wat kan ik hier nu mee?”  vraagt hij. “Wat wil je”? vraagt Matthe. ” Dit gewoon aan mijn directeur vertellen en er mee aan de slag gaan”, antwoordt Wim.

Die maandag gaat Wim naar zijn werk en tijdens het maandagochtend overleg vraagt hij zijn directeur en collega’s waarom ze hem ontwijken en niet aanspreken als ze zaken zien die hij verkeerd of onhandig doet. Terwijl hij dit verteld is er een soort geraaktheid in zijn stem die een diepe indruk maakt op zijn collega’s. Ze begrijpen niet wat ze meemaken. Is dit dezelfde Wim als vorige week? Ze vragen wat er gebeurt is en Wim vertelt over zijn ontmoeting met die twee zeer bijzondere snuiters die in de gaten hadden dat hij niet lekker in zijn vel zat en hem wakker geschud hebben. Iedereen is onder de indruk van zijn verhaal en de manier waarop hij dit brengt.  Zijn directeur in het bijzonder. Deze schudt zijn hoofd  en zegt: ”Ik vind het erg confronterend wat je vertelt, maar het klopt wel wat ze tegen je hebben gezegd . Mijn excuses , we gaan dit heel anders aanpakken”.

Twee maanden later is de sfeer in het team van Wim volledig anders. Ze hebben indringend met elkaar gesproken en Wim wordt nu geaccepteerd. Hij blijft een lieverd maar durft zijn mensen nu wel aan te spreken. Ook in het managementteam is er veel veranderd. Er is meer openheid en een grote bereidheid om van elkaar te leren. Dat alles door een korte en heftige ontmoeting op een bijeenkomst van het werk van zijn vrouw. Wim heeft nog steeds het idee dat het dankzij die twee snuiters komt.

Wat hij nog niet heeft ontdekt,  is dat hij en hij alleen de hefboom was voor de grote verandering in zijn organisatie. Hij heeft de moed gehad zich werkelijk open te stellen, zijn geraaktheid te tonen en zijn worsteling te delen met zijn collega’s  zonder zijn verantwoordelijkheid te ontkennen. Hierdoor heeft hij zijn collega’s  weten te raken en door deze aanraking is er een oprechte verbinding tot stand gebracht. Door zichzelf te laten zien heeft hij onbewust de anderen ook toestemming gegeven zich te laten zien en zich met elkaar te verbinden.

De prins is wakker gekust. Hij heeft de kus doorgegeven.

Advertenties